gebonden

Dutch

Pronunciation

  • IPA(key): /ɣəˈbɔn.də(n)/
  • Audio:(file)
  • Hyphenation: ge‧bon‧den
  • Rhymes: -ɔndən

Adjective

gebonden (not comparable)

  1. tied-up, having no freedom, bound, constrained
    Antonym: ongebonden
  2. married
    Alternative form: geb.
    Antonym: ongebonden

Declension

Declension of gebonden
uninflected gebonden
inflected gebonden
comparative
positive
predicative/adverbial gebonden
indefinite m./f. sing. gebonden
n. sing. gebonden
plural gebonden
definite gebonden
partitive gebondens

Derived terms

Participle

gebonden

  1. past participle of binden

Declension

Declension of gebonden
uninflected gebonden
inflected gebonden
positive
predicative/adverbial gebonden
indefinite m./f. sing. gebonden
n. sing. gebonden
plural gebonden
definite gebonden
partitive gebondens

Anagrams