ongebonden

Dutch

Etymology

From on- +‎ gebonden.

Pronunciation

  • IPA(key): /ˌɔn.ɣəˈbɔn.də(n)/
  • Audio:(file)
  • Hyphenation: on‧ge‧bon‧den
  • Rhymes: -ɔndən

Adjective

ongebonden (not comparable)

  1. unbound, unconstrained, free
    Antonym: gebonden
  2. single (not married)
    Antonym: gebonden
    Alternative form: ongeb.

Declension

Declension of ongebonden
uninflected ongebonden
inflected ongebonden
comparative
positive
predicative/adverbial ongebonden
indefinite m./f. sing. ongebonden
n. sing. ongebonden
plural ongebonden
definite ongebonden
partitive ongebondens

Derived terms

  • ongebondenheid