leidinggeven

Dutch

Etymology

From leiding +‎ geven.

Pronunciation

  • IPA(key): /ˈlɛi̯.dɪŋˌɣeː.vən/
  • Audio:(file)
  • Hyphenation: lei‧ding‧ge‧ven

Verb

leidinggeven

  1. to manage

Conjugation

Conjugation of leidinggeven (strong class 5, separable)
infinitive leidinggeven
past singular gaf leiding
past participle leidinggegeven
infinitive leidinggeven
gerund leidinggeven n
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular geef leiding gaf leiding leidinggeef leidinggaf
2nd person sing. (jij) geeft leiding, geef leiding2 gaf leiding leidinggeeft leidinggaf
2nd person sing. (u) geeft leiding gaf leiding leidinggeeft leidinggaf
2nd person sing. (gij) geeft leiding gaaft leiding leidinggeeft leidinggaaft
3rd person singular geeft leiding gaf leiding leidinggeeft leidinggaf
plural geven leiding gaven leiding leidinggeven leidinggaven
subjunctive sing.1 geve leiding gave leiding leidinggeve leidinggave
subjunctive plur.1 geven leiding gaven leiding leidinggeven leidinggaven
imperative sing. geef leiding
imperative plur.1 geeft leiding
participles leidinggevend leidinggegeven
1) Archaic. 2) In case of inversion.

Anagrams

  • geven leiding