leeftijdgebonden

Dutch

Etymology

Compound of leeftijd +‎ gebonden.

Pronunciation

  • IPA(key): /ˈleːf.tɛi̯t.xəˌbɔn.də(n)/, /ˌleːf.tɛi̯t.xəˈbɔn.də(n)/
  • Audio:(file)
  • Hyphenation: leef‧tijd‧ge‧bon‧den
  • Rhymes: -ɔndən

Adjective

leeftijdgebonden (comparative leeftijdgebondener, superlative leeftijdgebondenst)

  1. alternative form of leeftijdsgebonden

Declension

Declension of leeftijdgebonden
uninflected leeftijdgebonden
inflected leeftijdgebonden
comparative leeftijdgebondener
positive comparative superlative
predicative/adverbial leeftijdgebonden leeftijdgebondener het leeftijdgebondenst
het leeftijdgebondenste
indefinite m./f. sing. leeftijdgebonden leeftijdgebondener leeftijdgebondenste
n. sing. leeftijdgebonden leeftijdgebondener leeftijdgebondenste
plural leeftijdgebonden leeftijdgebondener leeftijdgebondenste
definite leeftijdgebonden leeftijdgebondener leeftijdgebondenste
partitive leeftijdgebondens leeftijdgebondeners