wintergroen

Dutch

Etymology

Compound of winter +‎ groen. Compare English wintergreen.

Pronunciation

  • IPA(key): /ˈʋɪn.tərˌɣrun/
  • Audio:(file)

Noun

wintergroen n (uncountable, no diminutive)

  1. wintergreen (Pyrola spp.)
    Hyponym: rond wintergroen

Derived terms

Adjective

wintergroen (not comparable)

  1. evergreen
    Synonyms: altijdgroen, groenblijvend

Declension

Declension of wintergroen
uninflected wintergroen
inflected wintergroene
comparative
positive
predicative/adverbial wintergroen
indefinite m./f. sing. wintergroene
n. sing. wintergroen
plural wintergroene
definite wintergroene
partitive wintergroens

Further reading