verwijtbaar

Dutch

Etymology

From verwijten (to blame) +‎ -baar.

Pronunciation

  • IPA(key): /vərˈʋɛi̯t.baːr/
  • Audio:(file)
  • Rhymes: -ɛi̯tbaːr

Adjective

verwijtbaar (comparative verwijtbaarder, superlative verwijtbaarst)

  1. culpable, blameworthy
    Synonym: laakbaar

Declension

Declension of verwijtbaar
uninflected verwijtbaar
inflected verwijtbaare
comparative verwijtbaarder
positive comparative superlative
predicative/adverbial verwijtbaar verwijtbaarder het verwijtbaarst
het verwijtbaarste
indefinite m./f. sing. verwijtbaare verwijtbaardere verwijtbaarste
n. sing. verwijtbaar verwijtbaarder verwijtbaarste
plural verwijtbaare verwijtbaardere verwijtbaarste
definite verwijtbaare verwijtbaardere verwijtbaarste
partitive verwijtbaars verwijtbaarders

Derived terms