verstaanbaar

Dutch

Etymology

From verstaan +‎ -baar.

Pronunciation

  • IPA(key): /vərˈstaːnˌbaːr/
  • Audio:(file)
  • Rhymes: -aːnbaːr
  • Hyphenation: ver‧staan‧baar

Adjective

verstaanbaar (comparative verstaanbaarder, superlative verstaanbaarst)

  1. capable of being heard and understood (language, words), audible and intelligible
    Het gemompel van de mummie was slecht verstaanbaar, dus vroeg de toerist om een tolk.
    The mummy's mumbling was difficult to make out, so the tourist requested an interpreter.
  2. (Belgium, archaic elsewhere) understandable (an idea, meaning), comprehensible
    Synonym: begrijpelijk
    Deze daadzaken zijn licht verstaanbaar, zelfs voor een klein kind.
    These facts can be understood easily, even by a small child.
    • 2016, “De asielcrisis is even verstaanbaar als onbegrijpelijk”, in De Morgen[1], retrieved 31 December 2025:
      Hoe dan ook is het verstaanbaar dat ook zij ten prooi vallen aan een publieke opinie, die vooral solidair lijkt met zichzelf.
      In any case, it's understandable that they, too, fall prey to a public opinion that seems primarily in solidarity with itself.

Declension

Declension of verstaanbaar
uninflected verstaanbaar
inflected verstaanbare
comparative verstaanbaarder
positive comparative superlative
predicative/adverbial verstaanbaar verstaanbaarder het verstaanbaarst
het verstaanbaarste
indefinite m./f. sing. verstaanbare verstaanbaardere verstaanbaarste
n. sing. verstaanbaar verstaanbaarder verstaanbaarste
plural verstaanbare verstaanbaardere verstaanbaarste
definite verstaanbare verstaanbaardere verstaanbaarste
partitive verstaanbaars verstaanbaarders

Derived terms

  • onverstaanbaar
  • verstaanbaarheid

Descendants

  • Afrikaans: verstaanbaar
  • West Frisian: fersteanber (calque)

See also