hoofdeconoom
Dutch
Etymology
Pronunciation
- IPA(key): /ɦoːft.eː.koːˌnoːm/
Noun
hoofdeconoom m (plural hoofdeconomen, diminutive hoofdeconoompje n)
- chief economist
- 2026, Pieter Gordts, “Tech verliest 900 miljard dollar en zelfs goud zakt mee: waarom beleggers plots massaal verkopen”, in De Morgen[1]:
- "Vorige week gebeurde hetzelfde bij Microsoft", zegt Peter Vanden Houte, hoofdeconoom bij ING.
- "Last week the same happened at Microsoft," chief economist at ING Peter Vanden Houte says.