halveeren

Dutch

Verb

halveeren

  1. obsolete spelling of halveren

Conjugation

Conjugation of halveeren (weak)
infinitive halveeren
past singular halveerde
past participle gehalveerd
infinitive halveeren
gerund halveeren n
present tense past tense
1st person singular halveer halveerde
2nd person sing. (jij) halveert, halveer2 halveerde
2nd person sing. (u) halveert halveerde
2nd person sing. (gij) halveert halveerde
3rd person singular halveert halveerde
plural halveeren halveerden
subjunctive sing.1 halveere halveerde
subjunctive plur.1 halveeren halveerden
imperative sing. halveer
imperative plur.1 halveert
participles halveerend gehalveerd
1) Archaic. 2) In case of inversion.