gelijkluidend

Dutch

Etymology

From gelijk +‎ luidend.

Pronunciation

  • IPA(key): /ɣəˌlɛi̯kˈlœy̯.dənt/
  • Audio:(file)
  • Hyphenation: ge‧lijk‧lui‧dend

Adjective

gelijkluidend (comparative gelijkluidender, superlative gelijkluidendst)

  1. homophonous
  2. homophonic, unisonous
  3. concurrent (agreeing in the same opinion), uniform

Declension

Declension of gelijkluidend
uninflected gelijkluidend
inflected gelijkluidende
comparative gelijkluidender
positive comparative superlative
predicative/adverbial gelijkluidend gelijkluidender het gelijkluidendst
het gelijkluidendste
indefinite m./f. sing. gelijkluidende gelijkluidendere gelijkluidendste
n. sing. gelijkluidend gelijkluidender gelijkluidendste
plural gelijkluidende gelijkluidendere gelijkluidendste
definite gelijkluidende gelijkluidendere gelijkluidendste
partitive gelijkluidends gelijkluidenders